Interpretatie van de keurkaart
De keurkaart
Tijdens het keuren van het dier zal de keurmeester zijn of haar bevindingen over het dier neerschrijven op de keurkaart. Voor vele beginnende liefhebbers is het interpreteren van zo’n kaart niet gemakkelijk, vandaar dat hier enige aandacht aan besteed zal worden.
Hoewel er verschillen zijn tussen de keurkaarten van cavia’s en konijnen enerzijds en de gevederde diergroepen anderzijds, komen deze kaarten in grote lijnen overeen. Op elk van hen kan men drie grote delen onderscheiden:
- Bovenaan worden enkele organisatorische zaken vermeld zoals de show, de datum van keuring en het hoknummer. Verder wordt het dier hier ook geïdentificeerd, waarvoor men het ras en de kleurslag van het dier vermeldt evenals het geslacht (man of vrouw), de leeftijd (jong = van het huidige jaar, oud = overjaars) en het identificatienummer. Dit is het bewijs dat het om dit specifieke dier gaat en de keurmeester dient steeds deze gegevens te controleren.
- In het midden van de kaart wordt de eigenlijke keuring van het dier weergegeven. Hier bevinden zich de grote verschillen tussen de diergroepen, die hieronder besproken zullen worden.
- Stempel of handtekening van de keurmeester en het predikaat dat de keurmeester zal toekennen op basis van de stand van het ras en de kleurslag. Bij het toekennen van dit predikaat wordt het officiële keuringssysteem gebruikt. Dit predikaat varieert van 90 tot 97. In tegenstelling tot de predikaten bij pluimvee, kunnen bij cavia’s en konijnen ook halve punten toegekend worden. Hiernaast kan een dier ook het predikaat 0, / of NA krijgen. Hierover later meer.
De keurkaart bij konijnen en cavia’s
Bij beide diersoorten wordt er gekeurd volgens de zogenaamde ‘7 posities’. De keurkaart is ingedeeld in 7 vakken, waarbij de vakken 1, 2, 3 en 7 voor alle rassen hetzelfde zijn. Afhankelijk van tot welke groep het ras in kwestie behoort, zal bij positie 4, 5 en 6 gekeken worden naar specifieke aandachtspunten voor die bepaalde groep. Op de keurkaart staat in de linkermarge steeds uitgelegd om welke aandachtspunten dit gaat.
Bij het keuringssysteem voor konijnen vertrekt men vanuit een zeer goed dier, wat volgens het predikatenstelsel 95 punten hoort te halen. Hierbij gaat men er van uit dat deze dieren op de verschillende posities zeer goed zal scoren. Hierbij vertrekt men voor de verschillende posities van het totaal aantal punten min één, dus 19/20 voor ’type & bouw’ en ‘pels’ en 14/15 voor de groepspecifieke kenmerken. Men gaat er van uit dat zowel ‘gewicht’ als ‘conditie & verzorging’ zeer goed zijn, zodat hier het maximum van de punten (respectievelijk 10 en 5) toegekend wordt. Dit alles brengt het totaal op 95.
Vervolgens zal men op basis van de beoordeling van het dier punten aftrekken of juist bijgeven. Wanneer een dier in een bepaalde eigenschap uitblinkt, zal hierbij 0,5 (prima) of 1 punt (excellent) bijgeteld worden. Zijn er echter bemerkingen op één of andere positie, dan zal men hiervoor in verhouding tot de ernst van de fout punten aftrekken. Meestal is dit 0,5 punt per tekortkoming. Bij positie 2 ‘gewicht’ wordt er gewerkt met een zogenaamde gewichtenschaal. Al naargelang de rasspecifieke marges zal het dier 9 of 10 punten bekomen in deze rubriek. Ligt het gewicht buiten de maximum- of minimumgrens, dan betekent dit automatisch een “/’ (niet beoordeeld) in deze positie.
Het eindtotaal wordt bepaald door de punten van de verschillende posities op te tellen. Wordt er op één van de 7 posities een 0, / of NA gegeven (zie lager voor de betekenis hiervan), dan zal dit steeds het eindpredikaat van het dier zijn. Indien er een combinatie van deze drie voorkomt, worden de algemene voorrangsregels gevolgd (zie lager).
De keurkaart bij duiven, hoenders, park- & watervogels
Bij de overige diersoorten is het middelste stuk van de keurkaart opgesplitst in drie, voor zichzelf sprekende delen: kwaliteiten, wensen en fouten. In tegenstelling tot bij pelsdieren is het predikaat bij deze diergroepen geen wiskundige optelsom, vertrekkende vanaf predikaat 95, maar wordt het predikaat gevormd door een aantal regels:
- Wanneer het dier naar de huidige stand van het ras het hoogst haalbare voorstelt en er zijn geen duidelijke wensen zichtbaar, dan wordt enkel de vaste uitdrukking “naar de huidige stand van het ras excellent dier” vermeld en krijgt het dier 97 punten.
- Bij één kleine wens die niet gaat over het type of de hoofdraskenmerken, krijgt het dier predikaat 96.
- Naargelang de gradatie van de wens(en) daalt het predikaat tot 93.
- Bij één vermelding in de rubriek fouten ‘fouten’ kan het dier hoogstens nog predikaat 92 halen. Een dergelijk dier kan evenwel nog steeds uitgesproken kwaliteiten hebben!
Betekenis van de verschillende predikaten
Met de bedoeling om in Europa de predikaten te uniformiseren, wordt ook in ons land gebruik gemaakt van het Europees gebruik van puntenpredikaten. Dit predikaat kan variëren tussen 90 (voldoende) en 97 (excellent). Met uitzonderingen van de konijnen en cavia’s blijkt uit het bovenstaande dat dit getal geen optelsom is van de verschillende delen. Het heeft dus geen wiskundige betekenis, maar is een manier om de totale waarde van een dier uit te drukken.
In de praktijk kan een keurmeester slechts de predikaten 90 tot 96 toekennen. Wanneer hij of zij te maken heeft met een topdier in alle aspecten, wordt het dier voorgesteld voor een 97. Dit zal dan al dan niet door de hoofdjury toegekend worden. Een 97 is dus het allerhoogste predikaat dat men in België kan halen, wat nog maar eens benadrukt dat het niet gaat om een wiskundig percentage. Per ras worden de drie beste dieren aangeduid (vb. 97-1, 96-2, 94-3) met een minimumpredikaat van 93.
Hiernaast kan een keurmeester nog drie andere predikaten toekennen:
- “N.A.” of “niet aanvaard” betekent dat het ras of de kleurslag (nog) niet in België erkend is.
- “0” betekent dat het dier een uitsluitingsfout heeft, welke meestal onderlijnd zal worden op de keurkaart. Deze fout is onomkeerbaar en een dergelijk dier is dus ongeschikt om mee tentoon te stellen. De lijst van uitsluitingsfouten van de verschillende diersoorten kan men in de desbetreffende standaarden terugvinden.
- “/” betekent dat het dier dat het dier niet beoordeeld kan worden naar waarde doordat het niet tentoonstellingsklaar is, bv te jong, te sterk in rui, ziektesymptomen, ectoparasieten… Wanneer dit probleem echter opgelost is, zal het dier wel beoordeeld kunnen worden.
Binnen deze drie predikaten heersen logische voorrangsregels: NA > 0 > /. Een dier met een uitsluitingsfout in een niet-erkende kleurslag zal bijgevolg “N.A.” krijgen, al zal de uitsluitingsfout onderstreept zijn, zodat de fokker van deze fout op de hoogte wordt gebracht. Een te jong dier met een uitsluitingsfout zal predikaat “0” krijgen, omdat deze uitsluitingsfout niet verdwenen zal zijn wanneer het dier uitgegroeid is.
Interpretatie
Veel mensen focussen zich te hard op het predikaat en te weinig op wat er op de keurkaart geschreven staat. Toch is de uitleg op de kaart eigenlijk belangrijker dan het het puntenpredikaat, aangezien de uitleg vaak objectiever is. Al trachten de keurmeesters op eenzelfde lijn te keuren, toch is de ene iets strenger of juist vrijgeviger dan de ander, zodat er kleine variaties in het eindpredikaat kunnen optreden, zelfs met eenzelfde uitleg op de kaart. Op basis van deze uitleg kan u echter zelf proberen te achterhalen wat specifieke kwaliteiten of tekortkomingen van dit dier zijn. Vergelijk dit dan met de andere dieren in uw hokken of met dieren van collega-fokkers. Op die manier leert u uw ras beter kennen en groeit u uit tot een specialist binnen uw ras!










